Tijdens het spelen gebeurt er van alles in het hoofd van een kind. Het is volgens neuroprofessor dr. Erik Scherder niet alleen beweging, maar ook voeding voor de hersenen. Het versterkt hun zelfvertrouwen en het bereidt ze voor op de maatschappij van later “Het brein van een kind vraagt om ontdekken, om nieuwe situaties en kleine tegenslagen,” legt hij uit. “Tijdens het spelen is niets hetzelfde en juist dat prikkelt de hersennetwerken die helpen bij sociale cognitie, emotie- regulatie en zelfvertrouwen.”
Generatie binnenzitters
Toch spelen kinderen vandaag de dag veel minder dan dat hun ouders vroeger deden. Of dat nu binnen met speelgoed is of buiten in een speeltuin. Een ontwikkeling die dr. Scherder frustreert maar ook motiveert om nog harder te strijden voor verandering. Want kinderen die minder spelen, krijgen daar op latere leeftijd echt last van. “We zien het nu al aan hun mentale en fysieke gezondheid. Diabetes type 2, een ouderdomsziekte, komt inmiddels voor bij kinderen van vijf. En dat terwijl het voorkomen zó simpel kan zijn.”
Daarbij pleit hij ook voor meer verantwoordelijkheid bij scholen en de overheid. “We kunnen ouders niet alles laten dragen. Op school zit een kind uren per dag; dáár moeten we ruimte maken om te bewegen. Zet systemen op die het normaal maken om elk half uur even drie minuten te bewegen Dat dat goed is voor een kind is niet alleen mijn mening, dat is ook wetenschappelijk effectief bewezen.” Spelen vergroot volgens hem bij kinderen de cognitieve reserve: de veerkracht van het brein. “Hoe meer je die reserve opbouwt, hoe beter je later kunt omgaan met stress, tegenslagen en emoties. En dat gebeurt niet op TikTok, maar tijdens het spelen.”


